
Wil je je expertise in voeding verdiepen?
Onze kennisbank biedt praktische inzichten, onderzoeksresultaten en voedingsadvies—van spijsverteringssystemen en samenstelling van diëten tot verrijkingstips en duurzaamheid.
Onoplosbaar grit In het wild eten herbivoren vogels vooral plant-achtig materiaal en/of zaden. Om dit te kunnen verteren moeten de zaadomhulsels en plantencelwanden eerst kapot gemaakt worden in de spiermaag. Hiervoor consumeren vogels van nature vaak kleine niet-verteerbare steentjes. Als alternatief voor deze steentjes wordt er onoplosbaar grit gevoerd (maagkiezel). In gevangenschap worden vogels voornamelijk gevoerd met makkelijk verteerbare pellets in plaats van plant-achtig materiaal en/of zaden. Hierdoor hebben deze vogels weinig tot geen behoefte aan onoplosbaar grit. Daarnaast kunnen vogels ook zelf steentjes innemen als ze (deels) buiten worden gehouden. Voor vogels in gevangenschap die wel veel plant-achtig materiaal en/of zaden eten wordt geadviseerd om wel onoplosbaar grit bij te voeren. Oplosbaar grit Vogels die pellets gevoerd krijgen worden over het algemeen voorzien van voldoende mineralen zoals calcium. Toch zijn er een aantal vogels die extra behoefte hebben aan calcium zoals opgroeiende vogels en legvogels. In deze situaties wordt er vaak oplosbaar grit gevoerd. Voor deze vogels zijn er ook speciale pellet diëten beschikbaar met een hoger percentage aan calcium. Onderzoek heeft aangetoond dat vogels de capaciteit hebben om hun calcium inname zelf te reguleren. Ze zullen dus niet snel een overmaat aan calcium opnemen. Het wordt dan ook geadviseerd om een klein percentage van het dieet te laten bestaan uit oplosbaar grit. Ook bij veel vogels in het wild is dit een onderdeel van het dieet. Er zijn verschillende soorten oplosbaar grit zoals sepia, oesterschelp, kalksteen (calciumcarbonaat), marmer (kristallijne kalksteen) en gips (calciumsulfaat).
Winterslaap wordt ook wel hibernatie genoemd. Hibernatie is eigenlijk een nauwkeurigere term dan winterslaap aangezien sommige diersoorten zich in deze staat bevinden buiten de winterperiode. Wanneer een dier in de zomer in een staat van hibernatie verkeert, wordt dit estivatie of zomerslaap genoemd. Hibernatie is een staat van minimale (metabolische) activiteit. Vroeger werd het begrip hibernatie gebaseerd op een absolute daling van de lichaamstemperatuur (vaak meer dan 32 °C). Tegenwoordig wordt dit gebaseerd op de daling van het metabolisme. Tijdens de hibernatie vertragen verschillende processen in het lichaam: lichaamstemperatuur, stofwisseling, ademhalingsritme en hartritme. Het nut van hibernatie is dat een dier tijdens voedselarme periodes (zoals de winter) kan overleven zonder veel energie te hoeven besteden aan het verzamelen van voedsel. Tijdens de hibernatie wordt voornamelijk lichaamsvet gebruikt als energiebron. Dit vet wordt opgespaard tijdens de actieve periode van het jaar. Daarnaast kunnen sommige diersoorten (zoals de arctische grondeekhoorn) voedingstoffen recyclen in het lichaam. Onderzoek liet zien dat deze soort tijdens de kou zijn spiervezels kan afbreken waardoor stikstof vrijkomt. Deze stikstof kan worden omgezet in aminozuren en vervolgens in eiwitten waardoor het lichaamsweefsel intact gehouden kan worden ( bron ). Hoelang de winterslaap duurt hang af van de diersoort, variërend tussen een paar dagen tot vele maanden. Sommige dieren slapen gedurende de hele hibernatie, terwijl andere gebroken periodes slapen. Dit komt door de verschillende soorten hibernatie: Verplichte hibernatie Dit zijn dieren die jaarlijks op vaste momenten in hibernatie verkeren ongeacht de omgevingstemperatuur en/of hoeveelheid voedsel. Deze soorten ondergaan een ‘traditionele’ hibernatie: een lichaamsstaat waarin de lichaamstemperatuur flink daalt samen met het ademhalings- en hartritme. Soorten die in deze groep vallen zijn o.a.: reptielen, amfibieën, vleermuizen, egels, (veel) knaagdieren en enkele insectivoren. Optionele hibernatie Dit zijn dieren die alleen in hibernatie verkeren als gevolg van een stressor uit de omgeving. Denk hierbij aan stress door kou, voedsel tekort of beide. Soorten binnen deze groep ondergaan zowel ‘traditionele’ als ‘niet-traditionele’ hibernatie, afhankelijk van hun lichaamstemperatuur of metabolische activiteit. Soorten die in deze groep horen zijn: sommige primaten (bv. dwerg maki’s), prairiehonden en beren. Van beren wordt onterecht wel gedacht dat ze een ‘traditionele’ hibernatie houden. Het gaat hierbij om een winterrust; de hartslag vertraagt weliswaar, maar de lichaamstemperatuur blijft vrij constant. Een beer kan dan ook gemakkelijk wakker worden gemaakt. Hibernatie in gevangenschap Voor een dierentuin is het niet gunstig om een lange periode van het jaar geen zichtbare dieren te hebben. Echter komt hibernatie bij dieren in gevangenschap maar weinig voor. Vaak is de duur van de hibernatie dan sterk verkort van enkele maanden tot slechts enkele weken. Hierdoor kan het dieet van een dier ook afwijken van het natuurlijke voedingspatroon. Om hiervoor te compenseren hebben dierentuinen vaak een speciaal ‘bulk’ programma in de maanden voor de natuurlijke winterslaap. Zo kunnen de dieren energiereserves opslaan in het lichaam om tijdens deze verkorte hibernatieperiodes te verbruiken. Daarnaast worden ook steeds meer seizoensdiëten toegepast om de natuurlijke variatie in het dieet na te bootsen. In 2021 gaf Marcus Clauss een presentatie ( link ) over het werk van Charles Robbins waarin het concept van seizoensdiëten besproken wordt. Samengevat kunnen zowel de samenstelling van het dieet als de hoeveelheid worden aangepast om verschillende seizoenen na te bootsen. Twee voorbeelden hiervan zijn te zien in de onderstaande grafieken voor verschillende beersoorten. Deze manier van voeren simuleert de beschikbaarheid van voedsel door het jaar heen. Bron: ( link ) Een praktisch voorbeeld hiervan is een onderzoek vanuit San Diego Zoo ( link ). Hier was het doel om beren meer seizoensgebonden diëten te voeren om zo beter seizoensgebonden lichamelijke veranderingen na te bootsen. Na een jaar bleken de beren dubbel zoveel gewichtsvariatie te hebben, wat dus beter overeenkomt met de natuur. Bron: ( link ) Desondanks dat dit concept opkomend is, is het nog belangrijker om te kijken naar het individu. Pas het dieet en de voerfrequentie aan op het individu. Daarnaast zijn de bovenstaande grafieken slechts voorbeelden en is het afhankelijk van de soort en het individu wat het ideale dieet is.
We hebben hele konijnen in allerlei maten beschikbaar. In onderstaand overzicht is makkelijk te vergelijken wat de verschillen zijn tussen deze categoriën:
We have a broad assortment of supplements. To make it easier to compare these supplements we have made an overview. In this overview you will find all supplements that we offer for marine mammals. All brands have a different system of dosing: Kasper Faunafood: The supplements of Kasper Faunafood have an extensive feeding advise on the data sheets of each supplement. This advice is formulated per category of body weight. To make it easier to compare we have converted this; on average this advise is equal to 1 tablet per 2,5 kg fish. Mazuri: The Marine Mammal supplement of Mazuri is dosed as 1 tablet per 2,3 kg fish. DK Zoological: The Fish Eater Liquid of DK Zoological is dosed as 1 ml per 1 kg fish. In the first table (table 1) you will find an overview of the nutrients in each supplement. These are the nutritional additives per tablet. In table 2 you will find a converted overview of the nutritional additives per 1 kg fish (when feeding advice is followed). Table 1 Nutritional additives per tablet Table 2 Nutritional additives per 1 kg fish (when feeding advise is followed)
Shark supplements We have a broad assortment of supplements. To make it easier to compare these supplements we have made an overview. In this overview you will find all supplements that we offer for sharks. All brands have a different system of dosing: Kasper Faunafood: The Shark supplement of Kasper Faunafood has an extensive feeding advise on the data sheet. This advice is formulated per category of body weight. To make it easier to compare we have converted this; on average this advice is equal to 1 tablet per 2,5 kg of fish. Mazuri: The Shark supplement of Mazuri comes in two sizes, the 0,2 g tablet is dosed per 28 g fish and 1,5 g tablet is dosed per 226 g fish. In the first table (table 1) you will find an overview of the nutrients in each supplement. These are the nutritional additives per tablet. In table 2 you will find a converted overview of the nutritional additives per 1 kg fish (when feeding advice is followed). Table 1 Nutritional additives per tablet Table 2 Nutritional additives per 1 kg fish (when feeding advise is followed)
In dit overzicht zijn de maten van onze verschillende vissoorten te zien. Ook wordt er een richtlijn gegeven voor welke diersoorten ze geschikt zijn:
Introduction Giraffes (Giraffa camelopardalis) are browsers, primarily feeding on leaves from trees and shrubs, with a preference for acacias and other leafy plants4, 9. Foraging is their primary activity, essential for maintaining their bodies. Rumination is also crucial to giraffes' natural behavior, aiding in the effective digestion of food, especially breaking down insoluble carbohydrates like fiber found in plant cell walls3. In captivity, fulfilling giraffes' nutritional needs is challenging, particularly during winter when natural food sources diminish. Limited availability of fresh leaves and branches leads to provision of mainly roughage, alfalfa hay, and low-fiber pellets, which may not adequately stimulate natural behaviors, potentially resulting in abnormal behaviors like oral stereotypies1, 2, 7, 8, 9, 10. Increasing fiber content in the diet can promote natural behaviors, including longer rumination periods and reduced abnormal behaviors3,6. The development of "DK Dried Browse Mulch" by Kiezebrink offers a promising nutritional supplement for giraffes, resembling their natural diet and rich in dietary fiber5. This could potentially increase foraging and rumination time while reducing abnormal behaviors in captive giraffes. Methods & Materials • The research, carried out at Dierenpark Amersfoort in the Netherlands, spanned from December 11th, 2023, to January 14th, 2024, focusing on the behaviour of four male giraffes. • Daily rations based on giraffes weighing 900 kg - Diet 1: 4.4 kg of browser pellets - Diet 2: 4.4 kg of browser pellets + 2 kg of DK Dried Browse mulch. Both rations were divided into two feeding sessions. • For 10 days per diet, instantaneous scan sampling at 30-second intervals during morning feedings monitored foraging behavior. • For 8 days per diet, continuous focal sampling observed rumination and abnormal behaviors after morning feedings for one hour per giraffe per day. • Alfalfa hay, browse, and ad libitum water were available throughout the day. • Linear Mixed Models analyzed the impact of DK Dried Browse mulch on foraging and rumination behavior. • Due to limited data, oral stereotypies are not statistically tested. A simple descriptive statistics is used to compare oral stereotypies before and after adding DK Dried Browse mulch, specifically focused on 'licking unnatural objects'. Results & Discussion • Giraffes spend significantly more time foraging during the morning feeding with Diet 2 compared to Diet 1 (Table 1). The addition of DK Dried Browse mulch to Browser pellets likely increased foraging time (p < 0.05). • Giraffes spend significantly more time ruminating with Diet 2 compared to Diet 1 (Table 1). The addition of DK Dried Browse mulch to Browser pellets likely increased rumination time (p < 0.05). • After the addition of DK Dried Browse mulch to Browser pellets, the duration of licking unnatural objects is halved, suggesting a potential alleviation of oral stereotypies (Figure 1). However, this was not statistically tested. Table 1*: Comparison of Average Duration of Foraging, Rumination, and Oral Stereotypies between Two Diets: Browser Pellets (Diet 1) and Browser Pellets with the Addition of DK Dried Browse Mulch (Diet 2), Highlighting Differences in Foraging and Rumination Times. Figure 1*: Difference in average duration of foraging, rumination and oral stereotypies between Browser pellets (Diet 1) and Browser pellets with an addition of DK Dried Browse mulch (Diet 2) *For this study on the impact of DK Dried Browse mulch on the foraging, rumination, and abnormal behaviors of captive giraffes, we used a base diet comprising Kasper Natural Browser (10mm) and Boskos Browser. • The study provides valuable insights, but factors like limited visibility and sample size could affect interpretation. Changes in mulch quantity and the presence of finely ground acacia fibers in DK Dried Browse mulch could also impact outcomes. Additionally, solely daytime observations may limit comprehensive understanding; nocturnal observations could provide supplementary insights. Conclusion • Supplementing Browser pellets with DK Dried Browse mulch positively affects the duration of foraging, rumination, and abnormal behaviors in giraffes. • Giraffes receiving DK mulch spend significantly more time foraging and rumination while exhibiting reduced abnormal behaviors, particularly in licking unnatural objects. • Further studies are necessary to evaluate the long-term effects of this dietary adjustment and explore other potential factors influencing behavioral changes. References Appleby, M. C., & Lawrence, A. B. (1987). Food restriction as a cause of stereotypic behaviour in tethered gilts. Animal Production 46: 104-110. Bashaw, M. J., Tarou, L. R., Maki, T. S., & Maple, T. L. (2001). A survey assessment of variables related to stereotypy in captive giraffe and okapi. Applied Animal Behaviour Science, 73(3), 235–247. https://doi.org/10.1016/s0168-1591(01)00137-x Baxter, E., & Plowman, A. B. (2001). The Effect of Increasing Dietary Fibre on Feeding, Rumination and Oral Stereotypies in Captive Giraffes (Giraffa Camelopardalis). Animal Welfare, 10(3), 281–290. https://doi.org/10.1017/s0962728600024052 Davis, D. E., Dagg, A. I., & Foster, J. B. (1978). The Giraffe. Its Biology, behavior and ecology. The Journal of Wildlife Management, 42(3), 711. https://doi.org/10.2307/3800862 DK Zoological. (2023). DRIED BROWSE MULCH. Geraadpleegd op 5 december 2023, van https://www.kiezebrink.eu/public/attachments/Droogvoer/DK%20Zoological/DK%20Dried%20Browse%20Mulch.pdf Hummel, J., Clauß, M., Baxter, E., Flach, E., Johanson, K., Fidgett, A., Eulenberger, K., Hatt, J., Hume, I. D., Janssens, G., & Nijboer, J. (2006). The influence of roughage intake on the occurrence of oral disturbances in captive giraffids. In Filander eBooks (pp. 235–252). https://doi.org/10.5167/uzh-3523 Hummel, J., Zimmermann, W., Langenhorst, T., Schleussner, G., Damen, M., & Clauss, M. (2006). Giraffe husbandry and feeding practices in Europe. Results of an EEP survey. In: 6th Congress of the European Association of Zoo and Wildlife Veterinarians, Budapest (Hungary). https://doi.org/10.5167/uzh-3562 Koene, P. (1999). When feeding is just eating. How do farm and zoo animals use their spare time? In D. van der Heide, E. A. Huisman, E. Kanis, J. W. M. Osse, & M. W. A. Verstegen (Reds.), Proceedings 5th Zodiac Symposium Wageningen, The Netherlands (pp. 13-19). Okabe, K., Kawamura, A., Fukuizumi, H., Ishiuchi, K., & Kase, C. (2019). Does oral stereotypy in captive giraffes decrease by feeding them evergreens and barks in winter. Animal Behaviour and Management, 55(4), 165–173. https://doi.org/10.20652/jabm.55.4_165 Terlouw, C. E. M., Lawrence, A. B., & Illius, A. W. (1991) Influences of feeding level and physical restriction on the development of stereotypies in sows. Applied Animal Behaviour Science 28: 135 – 152.
We have a broad assortment of supplements. To make it easier to compare these supplements we have made an overview. In this overview you will find all supplements that we offer for marine birds. All brands have a different system of dosing: Kasper Faunafood: The Fish eating animals supplement of Kasper Faunafood has an extensive feeding advise on the data sheet. This advice is formulated per category of body weight. To make it easier to compare we have converted this; on average this advice is equal to 1 tablet per 2,5 kg of fish. Mazuri: The Small Fish eating bird supplement of Mazuri is dosed as 1 tablet per 226 g fish. The Large Fish eating bird supplement of Mazuri is dosed as 1 tablet per 1,1 kg fish. DK Zoological: The Fish Eater Liquid of DK Zoological is dosed as 1 ml per 1 kg fish. In the first table (table 1) you will find an overview of the nutrients in each supplement. These are the nutritional additives per tablet. In table 2 you will find a converted overview of the nutritional additives per 1 kg fish (when feeding advice is followed). Table 1 Nutritional additives per tablet Table 2 Nutritional additives per 1 kg fish (when feeding advise is followed)
Binnen het dierenrijk kunnen drie groepen worden gemaakt op basis van dieet: herbivoren, carnivoren en omnivoren. Het woord ‘-voren’ is afgeleid van het Latijnse woord - vorus : eter. Daarnaast zijn ‘herbi’, ‘carni’ en ‘omni’ afgeleid van de Latijnse woorden: herba : plant caro : vlees omnis : alles In principe kunnen alle soorten dieren, van vissen tot vogels, ingedeeld worden binnen een categorie. Terwijl sommige soorten gemakkelijk in een categorie te plaatsen zijn (vb. zebra), kan het voor andere soorten lastiger zijn doordat hun dieet op de grens kan liggen tussen twee groepen (vb. dwergmangoest). Daarnaast is het ook mogelijk dat een jong dier bijvoorbeeld een herbivoor is en het dieet meer omnivoor is als dit dier ouder wordt. Het lichaam past zich aan om zo efficiënt mogelijk het eten te verteren. Hierdoor zijn er fysiologische verschillen ontstaan tussen herbivoren, carnivoren en omnivoren die voornamelijk terug te zien zijn in het verteringstelsel. Over het algemeen wordt plantaardig materiaal gezien als moeilijk afbreekbaar en dierlijk materiaal als makkelijk afbreekbaar. Als gevolg hiervan is het verteringstelsel van herbivoren het meest complex en die van carnivoren het minst complex. Vogels zijn, vergeleken met landdieren, een uitzondering qua aanpassingen in verteringstelsel. Aanpassingen in het verteringstelsel De primaire functie van het verteringstelsel is het afbreken van voedsel en de nutriënten te verplaatsen naar lichaamscellen, die vervolgens kunnen worden gebruikt als bouwstof of voor energieproductie. Om dit zo efficiënt mogelijk te doen zijn er aanpassingen in het verteringsstelsel te zien tussen herbivoren, carnivoren en omnivoren. De grootste verschillen zijn te zien in het gebit, de maag en de dunne en dikke darm. Gebit Het verteringstelsel begint bij de mond, waar het gebit start met het vermalen van eten. Doormiddel van evolutie heeft het gebit zich aangepast aan het type voeding dat gegeten wordt. Bijvoorbeeld: als gevolg van een plantaardig dieet hebben herbivoren goed ontwikkelde platte kiezen, waarmee vezelrijk materiaal vermalen kan worden. Ter vergelijking, het gebit van carnivoren heeft juist goed ontwikkelde snij- en hoektanden; handig voor het vangen van prooidieren en afscheuren van vlees. Omnivoren hebben een gecombineerd gebit vergeleken met herbivoren en carnivoren, waarmee zowel gemalen als gescheurd kan worden. Op deze manier heeft ieder dier een gebit dat gespecialiseerd is voor hun specifieke natuurlijk dieet (zie afbeelding). Hierdoor is het vaak mogelijk om een dier te identificeren door alleen naar de schedel en de plaatsing van de tanden te kijken. Bron aangepast van: https://drbillspetnutrition.com/carnivores-omnivores-herbivores/ Maag Na het gebit komt het voedsel via de slokdarm terecht in de maag. Hier wordt het voedsel opgeslagen, gekneed en gemixt met maagsappen die helpen bij verdere vertering. De maag kan aanzienlijk verschillen tussen carnivoren, herbivoren en omnivoren. Carnivoren hebben een relatief simpele maag doordat het materiaal dat zij consumeren licht verteerbaar is vergeleken met plantaardig materiaal. Bij herbivoren is de maag complexer omdat de energie bij plantaardig materiaal moeilijk toegankelijk is. Om deze energie ‘vrij’ te krijgen is er een speciaal proces geëvolueerd: fermentatie. Tijdens het fermentatieproces breken bacteriën moeilijk verteerbaar materiaal af, waarna de voedingsstoffen stoffen door het lichaam verder opgenomen kunnen worden. Fermentatie kan voorkomen op twee plekken: de maag en de dikke darm. Fermentatie in de maag vindt voornamelijk plaats bij herkauwers (zoals giraffen of herten) en enkele aapsoorten. Hoewel fermentatie in de maag zelden voorkomt bij omnivoren, is hun maag wel beter in staat plantaardig materiaal te verwerken dan een carnivoren maag. Fermentatie in de darm vindt plaats in de dikke darm van dieren met één compartiment in de maag (niet-herkauwers), zoals de meeste herbivoren, omnivoren en carnivoren zie je hier functies van terug. Dunne darm Na de maag wordt de voedselbrij geleidelijk verplaatst naar de dunne darm, waar het grotendeels gehydrolyseerd en geabsorbeerd wordt. De grootste verschillen zijn te zien in de lengte van de darm. Dit geeft informatie over de tijd dat de voedselbrij in de darm is om opgenomen te worden. Makkelijker verteerbaar materiaal heeft minder tijd nodig om geabsorbeerd te worden en daardoor is de darm ook korter, zoals bij carnivoren . Het tegenovergestelde is waar voor moeilijk verteerbaar materiaal, zoals bij omnivoren en herbivoren . Dikke darm Na de dunne darm volgt de dikke darm. Hier vindt resorptie en fermentatie plaats. Deze vorm van fermentatie vind plaats bij zowel carnivoren , omnivoren en herbivoren met fermentatie in de maag. Echter is het bij herbivoren met fermentatie in de darm een stuk beter ontwikkeld. In de afbeelding hieronder is te zien hoe bij kangoeroes (maag fermentatie) de maag beter ontwikkeld is dan de dikke darm. Bij de pony (Darm fermentatie) is te zien hoe de dikke darm aanzienlijk beter ontwikkeld is dan de maag. Omdat fermentatie in de darm minder efficiënt is dan fermentatie in de maag moeten deze dieren grotere hoeveelheden eten consumeren om aan hun energiebehoefte te voldoen. Bron aangepast van: https://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S1095643308009914 Conclusie Het verteringstelsel van herbivoren is complexer dan dat van carnivoren en omnivoren waardoor zij in staat zijn om moeilijk verteerbaar materiaal te consumeren. Het verteringstelsel van een omnivoor heeft zich aangepast zodat het zeer flexibel is in wat er geconsumeerd kan worden. Carnivoren hebben het eenvoudigste verteringstelsel. Hierdoor zijn zij minder flexibel qua de diversiteit van hun voedsel. Daarnaast zijn zij afhankelijker van een specifiek dieet omdat er anders tekorten kunnen ontstaan in het lichaam.
Vogels hebben een ander soort verteringstelsel vergeleken met landdieren. Door evolutie heeft hun lichaam zich aangepast om alles zo licht mogelijk te maken, aangezien dit helpt voor het vliegen. Hieronder is een uitleg gegeven van het algemene verteringstelsel van vogels. Snavel Allereerst nemen vogels voedsel in met behulp van hun snavel. De snavel is aangepast aan het type voedsel wat voornamelijk gegeten wordt (zie afbeelding). In de snavel wordt het voedsel deels vermalen of in zijn geheel doorgeslikt. Daarnaast zijn er ook nog vogels die hun voedsel laten vallen vanuit de lucht of kapot slaan tegen een hard oppervlak, om het makkelijker te maken tijdens het doorslikken. De tong zorgt ervoor dat het voedsel richting de slokdarm gaat, waarna het voedsel in de krop komt. Bron aangepast van: https://en.wikipedia.org/wiki/Beak ( niet op schaal ) Krop De krop heeft meerdere functies. Omdat veel vogels van nature bij een voedselgelegenheid zoveel mogelijk eten wordt het voedsel opgeslagen in de krop. Het voedsel wordt hier opgeslagen en geleidelijk richting de maag gestuurd. Daarnaast zorgen de vloeistoffen in de krop voor een ‘pre-fermentatie’ en het weken van het voedsel, waardoor het de verteerbaarheid verbeterd. Volwassen vogels voeden hun jong met voedsel dat geweekt heeft in de krop, zodat het makkelijker verteerbaar is. Na de krop gaat het voedsel richting de maag. Maag Vogels hebben twee maagcompartimenten: de kliermaag en spiermaag. Eerst komt het voedsel in de kliermaag, deze maag is vergelijkbaar met de maag van veel zoogdieren. In de kliermaag wordt mucus, zoutzuur en pepsinogeen afgegeven aan de voedselbrij. Deze stoffen helpen bij de vertering van het voedsel. Bij carnivoren vogels is dit deel van de maag het beste ontwikkelt doordat hier dierlijk materiaal zoals bot moeten worden afgebroken. Vervolgens komt de voedselbrij in de spiermaag terecht. De spiermaag bestaat uit een dikke spierwand die langs elkaar heen schuift. Doormiddel van het schuiven en met behulp van grit wordt voedsel vermalen (<1mm) zodat de voedingstoffen kunnen worden opgenomen in de darmen. Grit kan worden ingedeeld in onoplosbaar (maagkiezel) en oplosbaar. Maagkiezel is niet verteerbaar en hebben daarom een maalfunctie in de spiermaag. Daarentegen is oplosbaar grit wel verteerbaar en functioneert hierdoor niet als maalcomponent maar als mineraal (voornamelijk calcium). Oplosbaar grit is dan ook vooral belangrijk bij vogels die een hogere calcium behoefte hebben zoals legvogels en groeiende vogels. Darmstelsel In de dunne darm is weinig verschil te zien in vergelijking met landdieren. Ook de functies zijn vrijwel hetzelfde: het hydrolyseren en absorberen van voedingstoffen. De dikke darm is waar het verschil weer echt te zien is; deze bestaat bij vogels uit drie delen: caeca, colon (rectum) en cloaca (zie afbeelding). De caeca speelt een rol bij het fermenteren van vezels en het absorberen van voedingstoffen en water. Alleen opgeloste vezels kunnen in de caeca terechtkomen en dus gefermenteerd worden. Niet-oplosbare vezels worden grotendeels uitgescheiden. De colon is voornamelijk voor resorptie en het transport naar de cloaca. Als laatste zorgt de cloaca voor opslag van ontlasting en extra resorptie. Reflux Dan is er nog belangrijk principe bij de vertering van vogels: reflux. Dit is een mechanisme dat ervoor zorgt dat voeding materiaal terug ’geduwd’ kan worden naar een vorig compartiment van het verteringstelsel. De functie van reflux is dat voedingsstoffen beter opgenomen worden. Dit komt doordat de tijd in het verteringstelsel groter is. Hierdoor is er meer tijd voor o.a. absorptie, mixen en malen. Daarnaast kunnen vezels terug geduwd worden in de caeca om toch nog gefermenteerd te worden. Reflux kan plaatsvinden op de volgende plekken: Spiermaag > kliermaag Eind van dunne darm > begin van dunne darm Colon > ceaca Conclusie Vergeleken met landdieren bezitten vogels dus over een ander soort verteringsstelsel. Daarnaast hebben de verschillende vogels zich in de praktijk ook nog aangepast aan hun omgeving en dieet. Hierdoor zijn er tussen vogelsoorten ook vaak nog verschillen te zien in verteringstelsel. Zo kunnen vogels ook ingedeeld worden in een categorie zoals herbivoor, carnivoor of omnivoor.
In een recent onderzoek worden de risico’s van een te hoog vitamine D gehalte in de voeding van miereneters en gordeldieren duidelijk. Bij beide soorten werden symptomen zichtbaar als gewichtsverlies, verminderde eetlust en braken. Tijdens het onderzoek bleek dat het vitamine D gehalte in het voer veel hoger was dan op de productsheet aangegeven (6.000 IU/kg). Hierdoor hebben de dieren voor langere tijd teveel vitamine D binnen gekregen, dit is een vet oplosbare vitamine en kan daarom gevaarlijk zijn bij overdosering omdat de dieren het niet af kunnen voeren. Onze DK Insectivore diet bevat ook vitamine D (2.500 IU/kg). Wij hebben dit toegevoegd omdat de insecten die deze soorten in de natuur eten ook vitamine D bevatten. Er is weinig onderzoek beschikbaar maar aan de hand van deze gegevens wordt aangenomen dat miereneters dus wel behoefte hebben aan vitamine D in hun dieet. Het gehalte vitamine D wat wij toevoegen is een veilig gehalte en zal dus niet tot tekorten of overdosering bij de dieren zorgen. Cole et al. (2020) Hypervitaminosis D in a giant anteater ( Myrmecophaga tridactyla ) and a large hairy armadillo ( Chaetophractus villosus ) receiving a commercial insectivore diet. J Zoo Wildl Med, 17;51(1)245-248 https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32212572/ Oonincx et al. (2018) Evidence of vitamin D synthesis in insects exposed to UVb light. Scientific reports, 8, 10807 https://www.nature.com/articles/s41598-018-29232-w
Over het algemeen jagen roofvogels en uilen op allerlei verschillende prooien. Afhankelijk van de soort worden prooidieren zoals vogels, kleine zoogdieren, vissen, reptielen, insecten en amfibieën geconsumeerd. Voor valkeniers en verzorgers is het belangrijk om te weten wat het natuurlijke dieet van hun vogel is. Het is de uitdaging om het natuurlijke voedingspatroon zo goed mogelijk na te bootsen. Eendagskuikens Eendagskuikens vormen het basisvoer voor veel roofvogels en uilen in gevangenschap. Deze relatief goedkope voedselbron is, tot op heden, goed beschikbaar en is nutritioneel gezien vrij compleet. De dooier is een zeer rijk voedselpakketje vol met vet oplosbare vitamines zoals vitamine A en vitamine E. Iedere dag kuikens met dooier voeren kan echter tot problemen leiden. Daarom adviseren wij om bij de helft van de te voeren kuikens de dooier te verwijderen. Knaagdieren De meest gevoerde zoogdieren zijn knaagdieren zoals ratten en muizen. Hamsters en cavia's zijn niet altijd goed beschikbaar, maar zijn ook prima prooidieren. Er moet op gelet worden dat grote, harde botten verwijderd worden bij het voeren aan kleinere roofvogels. In hun gulzigheid kunnen ze grote stukken in een keer naar binnen werken waardoor verstoppingen en beschadigingen van krop en/of slokdarm kunnen optreden. Kwartel en duif Ook kwartel en duif worden veel aan roofvogels en uilen gevoerd. Deze prooidieren benaderen het natuurlijke dieet van veel roofvogels zoals valken perfect. Bij het voeren van vogels moet worden stil gestaan bij de mogelijke vogel-specifieke ziektes die ze kunnen overbrengen. Om overdracht van bepaalde ziektekiemen te verkleinen kunnen de kop en verteringsstelsel verwijderd worden. Door het compleet invriezen van het prooidier worden bepaalde ziektekiemen gedood, maar beslist niet alle. Andere dierlijke producten Andere dierlijke producten zoals kippen- en kalkoennekken kunnen ook voor goede variatie of verrijking van het dieet dienen. Gemalen vlees of hart wordt vaak gebruikt bij de handopfok van kuikens. Houd er rekening mee dat dergelijke producten nutritioneel niet gebalanceerd zijn en dat ze slechts onderdeel van een dieet zijn. Raadpleeg een nutritionist of dierenarts hoe dergelijke producten in een dieet te gebruiken. Omdat goede voeding voor vogels van groot belang is heeft Michiel Derks, nutritionist bij Kiezebrink, in samenwerking met dierenarts Frank Verstappen en diervoedingsdeskundige Joeke Nijboer een boekje ontwikkeld met daarin nog meer informatie over het verantwoord voeren van roofvogels en uilen. Een handig boekje dat online te bestellen is in onze webshop.
We hebben veel verschillende soorten insecten beschikbaar. Over het algemeen zijn insecten een goede bron van dierlijk eiwit voor uw dieren. Echter bevat niet ieder insect dezelfde voedingswaarde. We hebben een overzicht gemaakte van de macroanalyses van een aantal soorten insecten om deze makkelijk te kunnen vergelijken. Bron: Topinsect, 2023
Traditioneel fruit (ook bekend als commercieel fruit) wordt vaak aan dieren in dierentuinen gevoerd. Echter wordt het voeren van commercieel fruit aan herbivoren, omnivoren en vooral primaten afgeraden in wetenschappelijke dierentuinliteratuur. Dit komt doordat dit fruit wordt gekweekt naar wens van de mens, wat zowel verwijst naar het fysieke uiterlijk als naar de voedingswaarden. Commercieel fruit heeft vaak veel vruchtvlees, weinig zaden en een zoete smaak. Deze smaak komt door het lage vezelgehalte en de hoge suikerconcentraties, wat ook de reden is waarom we ze graag eten. In het wild daarentegen, eten herbivore dieren juist de reproductieve delen van planten die aanwezig zijn in hun natuurlijke habitat, ook wel 'wilde vruchten' genoemd. Hun uiterlijk en voedingswaarden verschillen sterk van commercieel fruit. Zo bevatten ze veel minder suiker en meer vezels. Om deze reden bevat het natuurlijke dieet van veel dieren uit een grotere hoeveelheid vezels dan die in commercieel fruit zitten. Daarnaast maakt de combinatie van een hoog suikergehalte en een laag vezelgehalte in commercieel fruit ze zeer energierijk in vergelijking met wilde vruchten. Dit verhoogt het risico op obesitas, vooral omdat veel dieren in gevangenschap niet hetzelfde activiteitsniveau kunnen vertonen als in de natuur. Hierom wordt het gedacht dat sommige groenten beter passen bij de voedingsbehoeften dan commercieel fruit. Sommige groenten zijn net zo rijk aan vitamines als commercieel fruit, terwijl ze een lager suikergehalte en een hoger vezelgehalte hebben. Als we de voedingssamenstelling van wild fruit beter willen nabootsen, moeten we daarom commercieel fruit (gedeeltelijk) vervangen door groenten. Ter ondersteuning hiervan hebben we een overzicht gemaakt van de voedingssamenstellingen van verschillende groenten en fruit om ze te kunnen vergelijken. Met deze gegevens is het mogelijk om de diëten beter te beoordelen en te evalueren voordat ze gevoerd worden. Daarnaast moet het stimuleren om kritisch na te denken over de acceptatie van sommige ingrediënten en deze eventueel te verwijderen, toe te voegen of te vervangen. De meeste macronutriënten worden getoond, evenals de mineralen ijzer, fosfor en calcium. Dit is omdat sommige dieren gevoelig zijn voor een ijzer overdosis en/of een onjuiste calcium/fosforverhouding. Houd er rekening mee dat zowel het suikergehalte als het zetmeelgehalte zijn gegroepeerd onder 'beschikbare koolhydraten', aangezien de beschikbare literatuur ons niet toeliet om deze groepen goed op te splitsen. Zoals te zien is in de grafieken, bootsen groenten over het algemeen beter de voedingswaarden (op basis van droge stof) van wild fruit na in vergelijking met commercieel fruit. Hoewel ze niet perfect lijken op wilde vruchten, zijn ze wel een beter alternatief. Daarentegen moet het niet worden vergeten dat er ook verschillen zijn tussen groente soorten. Over het algemeen zijn de vezelgehaltes van zowel commercieel fruit als groenten relatief laag in vergelijking met wild fruit, maar dit kan in het dieet worden aangevuld met andere vezelbronnen (blad of ruwvoer). Aan de andere kant is de beschikbare koolhydraatfractie meestal hoger in commercieel fruit, wat (gedeeltelijk) het gevolg is van hogere suikergehaltes. De tabel laat ook zien dat groenten over het algemeen een betere calcium/fosfor-verhouding hebben in vergelijking met commercieel fruit. Ten slotte moet worden opgemerkt dat groenten hogere ijzergehalten bevatten. Daarom moet dit voor ijzergevoelige soorten worden aangepast aan de onderhoudsniveaus van het dier om ijzer gerelateerde ziekten te voorkomen. Ook fruit met een hoog vitamine C-gehalte moet worden vermeden bij ijzerrijke groenten, omdat dit de opname bevordert en de gezondheidsrisico's verhoogt. Tot slot moet worden vermeld dat de veranderingen in de voeding voornamelijk op theorie zijn gebaseerd. In de praktijk tolereren dieren niet altijd onmiddellijk veranderingen in het dieet van fruit naar groenten. Met betrekking tot de gebruikte gegevens kan worden vastgesteld dat er weinig (bruikbare en betrouwbare) gegevens beschikbaar waren over de voedingswaarden van wilde vruchten. Dit was voornamelijk te wijten aan de verschillen tussen methoden van proximale analyse tussen onderzoeken, wat resulteerde in onbetrouwbare vergelijkingen. Om deze reden hebben we besloten om alleen de voedingswaarden te gebruiken voor sommige wilde vruchten die worden genoemd in Souci et al. (2008). In de natuur kunnen andere wilde vruchten worden geconsumeerd met andere voedingswaarden. Bron : Souci, S. W., Fachmann, W. & Kraut, H. (2008). Food Composition and Nutrition Tables, 7th revised and completed edition. MedPharm.